De Heren van Havot: En in de verte huilt een poedel . . . .
De wind doet pogingen de laatste sierappeltjes uit de boompjes te rukken.
Regen teistert de ramen en er is geen vogel te zien. Zelfs geen vreemde.
Iemand riep dat het januari was, maar iemand die beter op de hoogte is,
denkt oktober. Grauw is de lucht en glimmend glanzen grauwgrijze grondgolven
dat eigenlijk omgeploegd land moet zijn. Het donkert snel alsof de tijd
geen wintertijd nodig heeft om tijdig op bed te komen en de luikjes dicht
te doen. Je zou verlangen krijgen naar de lichtjes van kerst als het al
geen januari was en helaas geen oktober. Wind buldert en regen klettert
en hoor, ergens in de verte huilt een poedel . . . .
Dat is het vreemde met woorden, denkt de schrijver. Ieder woord sluit
af en begrenst en je moet steeds weer nieuwe woorden opschrijven om andere
werelden te openen en nieuwe woorden bedenken om nieuwe werelden te vinden.
Zijn inspiratiebron is leeg en zijn fles ook; zijn motovatie naar de maan
en zijn lief naar de stad. Hij neuriet zacht de Pastorale van Youphekski
en laat dat over gaan in een luid gezongen Twaalf Rovers. De kat in de
vensterbank slaat de poten voor de oren en kijkt ook vals. Het zingen
levert niets op; noch Pastorale noch Twaalf Rovers brengen nieuwe verhalen
aan. Niets schiet hem te binnen, geen vreemde kronkel, geen onvermoed
gedachtespinsel. Hij voelt zich leeg, een onbeschreven blad, een tabula
rasa, nog nooit gebruikt, nog nooit gebruikt. Verstoord kijkt hij op.
Die huilende poedel ook . . . .
In de hoek van het bureaublad van zijn laptop meldt de mailbox zich. Ah,
een berichtje van de volleybal. Het is alsof de wind ineens met kracht
door zijn lege bovenkamer trekt en alles wegblaast dat er niet is. De
lege ruimten vullen zich met hoop en die hoop geeft mooi licht. Geeft
duizend lichtpuntjes en inspiratie en gedachtespinsels; en o ja, ook kronkels.
Geen regen, rovers of in de verte huilende poedels, die dat tegen kunnen
houden. Ze houden ook zijn vingers niet tegen die met haast naar de email
snellen. Hij leest, zijn adem stokt en zijn hart ook (even) en de poedel
zwijgt nu ook. Het gaat niet door, de wedstrijd vervalt. De duizend lichtpuntjes
doven sneller dan het licht, de stilte valt weer oorverdovend in zijn
hoofd. Geen volleybal, gat in de week . . . .
Er wringt een woord. Woorden openen en sluiten werelden. De email was
een poedel, denkt hij. Een misschot waar hij het gekraak van een rake
inslag verwachtte. Toch, die poedel. Het inspireert en dat is tenminste
iets. En zijn oren luisteren terwijl zijn vingers snellen en de letters
de bladzijde vullen. Weer geen wedstrijd, weer de poedel van “niet doorgaan”.
Maar wel een verhaal. Hij hoort het weer terwijl hij het typt: En in de
verte huilt een poedel.